Op maandag 9 februari 2026 sprak Klaas Knot de tweede Mathieu Segers Lezing uit in perscentrum Nieuwspoort. Hieronder leest u de volledige tekst. Of kijk de hele avond terug met o.a. Tamar de Waal en Lotfi El Hamidi.

Beste familie en vrienden van Mathieu, geachte aanwezigen,

Mathieu is niet meer onder ons, maar zijn erfenis is groot. Niet alleen door de herinnering aan wie hij was, de Mathieu over wie Marèl zojuist zo ontroerend sprak. Niet alleen vanwege het uitmuntende werk dat hij ons naliet en dat ons tot op de dag van vandaag beïnvloedt. Maar ook door het geweldige idee van deze lezingencyclus. Het is alsof hij ons, een land dat van oudsher soms toch een beetje met zijn rug naar Europa staat gekeerd, dwingt om ons om te draaien. En het over Europa te hebben. Want we moeten het over Europa hebben. De wereld van vandaag dwingt ons daartoe.

Iedereen die een beetje het nieuws volgt begrijpt wat ik bedoel. De naoorlogse wereldorde, gebaseerd op regels, recht en vrijhandel, is in hoog tempo aan het verdwijnen. Die maakt plaats voor een wereld waarin grootmachten geen middel lijken te schuwen om hun zin te krijgen. De economische integratie van de afgelopen decennia wordt nu als wapen ingezet. De snelheid van de veranderingen beneemt ons bijna de adem.

In een wereld waarin de ene na de andere zekerheid wegvalt hebben we behoefte aan een veilig thuis. Europa is ons thuis. Maar er moet wel wat gebeuren aan dat huis, willen we de storm kunnen doorstaan. 

En daar moeten we het dus over hebben. Daarom ben ik blij en vereerd vanavond de tweede Mathieu Segers lezing te mogen geven. Een eer die ik des te sterker voel omdat ik geen organisatie meer vertegenwoordig, maar hier als privépersoon spreek.

Hoewel Mathieu en ik elkaar niet echt goed kenden – we hebben elkaar een paar keer ontmoet - heeft hij me wel degelijk beïnvloed. Ik volgde zijn columns in het FD, en die vond ik dermate interessant dat ik ook zijn boeken ben gaan lezen. Daardoor heb ik veel meer oog gekregen voor het revolutionaire en uitzonderlijke karakter van de Europese integratie. Mathieu laat in zijn boeken zien dat de Europese integratie geen natuurlijk en voorbestemd proces was: nee, het had heel anders kunnen lopen. Sterker nog: het feit dat een groep uitgeputte en kapotgeschoten landen, die elkaar enkele jaren eerder nog naar het leven stonden, besloten om de soevereiniteit over hun oorlogsindustrieën over te dragen aan een hogere Europese autoriteit, grenst eigenlijk aan het ongelooflijke.

Mathieu’s boeken hebben ook mijn ogen geopend voor de ingewikkelde houding van Nederland ten opzichte van Europa. Hij beschrijft Nederland ergens als een soort eiland, dat altijd georiënteerd geweest was op de zee en de landen voorbij die zee: Engeland, Amerika, en natuurlijk de koloniën. Het hele idee dat de toekomst van Nederland op het Europese continent zou liggen was in die naoorlogse jaren volstrekt nieuw. Die halfslachtige houding ten opzichte van Europa zien we in ons land vandaag de dag soms nog steeds terug. 

Mathieu was historicus, ik ben een econoom. In het geval van Europa sluiten die twee disciplines heel mooi op elkaar aan. Want hoewel het doel van de Europese integratie vooral een politieke was – nooit meer oorlog -, was het middel vaak economisch van aard. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de EEG, de interne markt, de Economische en Monetaire Unie. De politiek ging schuil achter de economie, maar was nooit ver weg.

Als president van De Nederlandsche Bank stond ik 14 jaar lang met één been in Nederland, en het andere in Europa. Hoewel mijn standplaats Amsterdam was, reisde ik één keer in de twee weken naar Frankfurt, om mijn collega-bestuursleden van de Europese Centrale Bank te ontmoeten. Daar, op bovenste verdieping van het ECB-gebouw, gelegen aan de Main, bespraken we de stand van de Europese economie, de inflatie, en wat dat betekende voor het rentebeleid van de ECB. Hoewel we uit verschillende landen kwamen, vertegenwoordigden we die nadrukkelijk niet. Ons perspectief was en is volledig Europees. Echt, veel Europeser dan daar in Frankfurt kun je het niet krijgen.

Misschien komt het doordat ik zo vaak in die toren heb gebivakkeerd, dat ik me soms een beetje verbaas over het debat dat we hier in Nederland over Europa voeren. Of beter gezegd: niet voeren. En dat er nog steeds zoveel mensen zijn in de Nederlandse politiek die geloven dat we misschien wel beter af zijn met minder Europese samenwerking. En daar wil ik het ook met u over hebben. 

En mijn verhaal zal daarbij, dat verwachtte u ongetwijfeld al, vooral een economische invalshoek hebben. Maar: economie gaat over mensen. De economie is een middel. Een middel om de zaken te behouden die we werkelijk belangrijk vinden: welzijn, vrijheid, democratie, rechtvaardigheid. Veel van die dingen zijn onbetaalbaar, maar zoals we zullen zien: een sterke economie helpt wel.

In de 14 jaar dat ik President was van DNB heb ik het economische debat over Europa flink zien veranderen. Mijn eerste jaren stonden in het teken van de eurocrisis. Kunnen we alle landen wel binnenboord houden, was toen de vraag. Terwijl er tegelijkertijd geen cent meer naar Griekenland mocht gaan. De toekomst van de euro stond op het spel. Inmiddels is de monetaire unie een stuk robuuster geworden, maar staan we in Europa voor nieuwe grote uitdagingen. Daar ga ik straks op in, maar eerst wil ik even terugblikken.

Het naoorlogse Europa is door economen wel een convergentiemachine genoemd: het neemt arme landen op en helpt ze om welvarend te worden. In de jaren ’50 en ’60 convergeerden de West-Europese landen in rap tempo naar het inkomensniveau van de Verenigde Staten. In de jaren ’70 profiteerden Ierland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van hun toetreding tot de EU. In de jaren tachtig was het de beurt aan Spanje, Portugal en Griekenland. En de afgelopen 20 jaar hebben ook de Midden- en Oost-Europese landen, waarvan een grote groep in 2004 toetrad tot de EU, een flinke groeisprong gemaakt. 

Dit mechanisme van convergentie kunt u voor de afgelopen 30 jaar terugzien in deze figuur. De groene bolletjes zijn de landen die vanaf 2004 zijn toegetreden. Zij hadden in 1995 een relatief laag bbp ten opzichte van het gemiddelde. Maar zij lieten de afgelopen 30 jaar een stevige groei zien van al gauw boven de 3% per hoofd van de bevolking, terwijl de groei van de al meer welvarende ‘oude’ EU-landen, de rode bolletjes rechts in de grafiek, in deze periode vrij gematigd was.

Neem een land als Polen, een van die groene bolletjes. Polen behoorde in de jaren negentig tot de armste landen van Europa. Maar de afgelopen dertig jaar is het inkomen per hoofd meer dan verdrievoudigd, veel sneller dan het Europese gemiddelde. Daarmee heeft Polen de economische achterstand ten opzichte van landen als Frankrijk, Italië en Nederland voor een groot deel ingehaald. Dat kwam niet alleen door de integratie in de Europese Unie, maar het was zeker een belangrijke factor. De opening van de Europese exportmarkt voor Poolse producten en diensten, de toestroom van Europese fondsen en investeringen, en de deels door Europa afgedwongen economische hervormingen hebben sterk aan het succesverhaal bijgedragen. Hoewel Polen eruit springt, staat het land model voor de rest: nieuwe toetreders werden een stuk welvarender als gevolg van hun lidmaatschap van de Europese Unie.

De jaren rond de eurocrisis leken een deuk in dat beeld te brengen. Een aantal landen liep na aanvankelijk groot succes economisch flink uit de rails, gevolgd door een pijnlijk aanpassingsproces. Dit had meerdere oorzaken, een complex verhaal waar ik vanavond niet verder op in zal gaan. Maar het heeft wel tot een serie hervormingen geleid die de Economische en Monetaire Unie, oftewel het eurogebied, stabieler hebben gemaakt. En Griekenland? Dat heeft inmiddels een van de snelst groeiende economieën in de EU en de werkloosheid is er fors gedaald.

Europa als convergentiemachine dus. Met als motor het wegnemen van belemmeringen voor goederen, diensten, personen en kapitaal, en de stapsgewijze uitbreiding van de Unie met nieuwe lidstaten. Maar dat is niet het hele verhaal. De economische groei in Europa werd ook ondersteund door een continue aanwas van de beroepsbevolking, door immigratie en de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. En de buitenwereld was Europa gunstig gezind. De wereldhandel floreerde onder een systeem van multilaterale regels. De Amerikanen zorgden voor een groot deel van onze defensie, waardoor we geld overhadden voor andere prioriteiten. En in een geopolitiek stabiele wereld was het niet zo’n probleem om economisch afhankelijk te zijn van landen die we als onze vrienden beschouwden. Achteraf gezien kun je zeggen dat de periode van pakweg 1950 tot 2020 de Europese Gouden Eeuw was.

Die Gouden Eeuw is voorbij. 

De convergentiemachine hapert. We hebben de afgelopen 10 jaar weinig vorderingen gemaakt met het moderniseren en integreren van onze economieën. De uitbreiding van de EU heeft zo langzamerhand zijn natuurlijke grenzen bereikt. We zijn een belangrijke lidstaat kwijtgeraakt. En de Europese economie blijft achter bij andere grote economische blokken, met name de Verenigde Staten en China. 

De afgelopen twintig jaar groeide de Amerikaanse economie bijna twee keer zo hard als die van het eurogebied. Dat ziet u hier. Voor een deel is dit het gevolg van verschillen in demografische ontwikkeling. Onze bevolking groeit trager en vergrijst harder. Als we enkel kijken naar het bbp per gewerkt uur, oftewel de arbeidsproductiviteit, zijn de groeiverschillen wat kleiner. Maar nog steeds gaat het dan om een verschil van iets meer dan een half procent per jaar. Jaar in jaar uit telt dat op, zoals u hier ook kunt zien.

En arbeidsproductiviteitsgroei is belangrijk. Het is een soort heilige graal in de economie. Een hoge groei van de arbeidsproductiviteit betekent dat je met dezelfde hoeveelheid mensen meer goederen en diensten kunt produceren. De econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman stelde niet voor niets: ‘Productiviteit is niet alles, maar op de lange termijn is het wel bijna alles.’ Het maakt bijna alles in het economische leven makkelijker. Het omgekeerde geldt ook: een achterblijvende productiviteitsgroei zorgt ervoor dat je economisch en financieel structureel de wind tegen hebt. 

Met een stagnerende bevolkingsgroei wordt productiviteitsgroei nog belangrijker. Berekeningen van DNB laten zien dat de arbeidsproductiviteit twee tot drie keer zo hard moet groeien om de economische groei niet verder te laten vertragen. En het rapport van Peter Wennink concludeert dat een economische groei van circa 1,5% nodig is om de koopkracht op zijn minst op peil te houden zonder dat de staatsschuld oploopt.

Nou vallen er wel wat nuancerende kanttekeningen te maken over vergelijkingen met de VS en China. Het lijkt me duidelijk dat we niet alles uit deze landen moeten willen overnemen. De recente politieke en economische ontwikkelingen in de VS zijn nou niet per se iets om jaloers op te zijn. Hetzelfde geldt voor het Chinese politieke en sociale model. 

En Europa doet het economisch gezien ook zeker niet slecht. Maar het zou veel beter kunnen. Is dat belangrijk? Moet het dan per se nog beter? Het antwoord op die vraag is wel degelijk ja. We hebben een hogere economische groei nodig. Niet om te worden zoals de Chinezen of de Amerikanen. Maar om te behouden en te verdedigen wat wij in Europa belangrijk vinden. Denk aan onze gezondheidszorg, onze sociale voorzieningen, onze ambities om een duurzame economie te worden, en misschien wel de democratische rechtsstaat zelf. De bakermat van de Verlichting. 

Dat zien we ook terug in de VN-ranglijst voor de Sustainable Development Goals, waarin de top-10 volledig Europees is. In deze kaart is te zien hoe landen scoren op het gebied van brede welvaart: de score laat zien hoever landen staan in het behalen van alle 17 doelen op het gebied van duurzame ontwikkeling – van armoedebestrijding en goed onderwijs tot gezondheid, gelijkheid en klimaat – waarbij 100 betekent dat alle doelen zijn gehaald. Zoals u kunt zien is de EU het enige gebied in de wereld dat donkerblauw kleurt, de hoogste score dus. Dat is de brede welvaart die we willen behouden. Dat is wat Europa Europa maakt.

Die zaken willen en moeten we verdedigen in een wereld waarin het ons niet bepaald meezit. Dat het geopolitieke klimaat buiten Europa aanmerkelijk guurder is geworden, is inmiddels een understatement. Rusland voert een nietsontziende aanvalsoorlog tegen Oekraïne, en is misschien uit op meer. En het wordt met de dag onduidelijker in hoeverre we nog kunnen bouwen op het Amerika van Donald Trump. Dat betekent dat we onszelf zullen moeten verdedigen. Letterlijk. Maar het creëren van budgettaire ruimte voor meer defensie-uitgaven zal elders op de begroting pijn gaan doen.

Dan zijn er nog de handelstarieven die de Verenigde Staten aan onze bedrijven opleggen. Handelstarieven van een hoogte die we niet gezien hebben sinds de jaren ’30. En ik kan u verzekeren: handelsrestricties maken ons allemaal armer. 

Terwijl we ons moeten verhouden tot deze nieuwe geopolitieke situatie hebben we te maken met de alsmaar verergerende klimaatcrisis. Hoe meer onze klimaatdoelstellingen uit het zicht raken, hoe hoger de kosten zullen uitvallen. De energietransitie vergt consistent en volhardend beleid, innovatie en geld.

En om de avond nog gezelliger te maken, maak ik hem af met de vergrijzing. Europa vergrijst. Het CBS maakte onlangs bekend dat er vorig jaar voor het eerst meer 65-plussers dan jongeren tot 20 jaar in Nederland woonden. Dat verschil gaat de komende decennia alleen maar groter worden, niet alleen in Nederland maar in grote delen van Europa. Dat betekent dat de kosten van de gezondheidszorg en oudedagsvoorzieningen zullen toenemen. Dat terwijl vanaf 2040 de Europese beroepsbevolking volgens de prognoses met 2 miljoen mensen per jaar gaat afnemen. Meer arbeidsmigratie richting Europa zou deze trend kunnen tegengaan, maar lijkt niet op brede steun te kunnen rekenen en brengt ook weer nieuwe uitdagingen met zich mee. Maar het alternatief is dat een krimpende beroepsbevolking de kosten van de vergrijzing zal moeten opbrengen.

Europa dreigt te stagneren en links en rechts te worden ingehaald. Daarbij doemt het beeld op van een Europa zoals geschetst in de weergaloze roman ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer, mijn favoriete boek van een van mijn favoriete schrijvers. Europa als een continent van het verleden, een museum, een attractie voor toeristen. Overspoeld door hordes Amerikaanse en Aziatische toeristen die willen weten hoe er vroeger geleefd werd. 

Het goede nieuws is: we weten wat er moet gebeuren. De gezaghebbende rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta over de toekomst van de Europese economie zijn daar heel duidelijk over. Voor Nederland kunnen we daar nu het rapport van Peter Wennink aan toevoegen. 

In feite gaat het om drie dingen. Het eerste wat moet gebeuren is het verder verdiepen van de Europese interne markt. Vooral in tijden van grote onzekerheid fungeert de interne markt als een eerste verdedigingslinie tegen schokken van buitenaf. Zo kunnen we, door onze afhankelijkheid van andere regio's te verminderen, de impact van handelsverstoringen beter opvangen. 

Op dat terrein is nog steeds flinke winst te behalen. Ondanks het feit dat Europa geen interne handelstarieven kent, bestaan er nog steeds aanzienlijke belemmeringen van de handel in goederen en diensten. Een recente analyse van de ECB schat dat de omvang hiervan vergelijkbaar is met een handelstarief van 67% op goederen en 95% op diensten. Dat is waarschijnlijk een overschatting, zoals de studie ook zelf aangeeft, maar we kunnen wel stellen dat de resterende belemmeringen op de interne markt het groeipotentieel van onze economie afremmen. Dezelfde studie laat ook zien dat een bescheiden stapje richting verdere integratie van de interne markt de impact van de Amerikaanse tarieven op termijn volledig compenseert.

Inmiddels heeft de Europese Commissie plannen aangekondigd om in ieder geval de terrible ten aan te pakken: de tien grootste barrières voor de interne markt. Dit gaat vaak om hele praktische zaken. Denk aan verschillende nationale eisen rondom supermarktlabels, afvalverwerking of aanbestedingen. Of ingewikkelde administratieve procedures om medewerkers van een bedrijf tijdelijk in een ander EU-land aan het werk te zetten. Verschillen in regelgeving die stuk voor stuk voortkomen uit goede bedoelingen, maar bij elkaar optellen tot een vaak onneembare horde voor bedrijven die over de grens willen opereren. 

Naast goederen en diensten hebben we ook een interne markt voor kapitaal nodig. Europa’s financiële markten zijn nog steeds sterk gefragmenteerd. Dat komt vooral door verschillen in regelgeving. Zo hebben we in Europa 27 verschillende faillissementsregimes, om maar een voorbeeld te noemen. Daardoor is het in de praktijk nog steeds heel moeilijk voor kapitaalverschaffers in de ene lidstaat om te investeren in een bedrijf in een andere lidstaat. En daarom kan het gebeuren dat Europese huishoudens 10 biljoen - en dat is niet minder dan 10.000 miljard - aan spaargeld op bankdeposito’s hebben staan tegen een lage rente. Terwijl er tegelijk een groot gebrek aan risicokapitaal is. Risicokapitaal dat hard nodig is om innovatieve startups door te laten groeien. Dat is iets wat ze in de VS echt veel beter doen. En daarom vertrekken veel innovatieve bedrijven naarmate ze groter worden uiteindelijk naar de VS.

De recente goedkeuring door de Europese Commissie van een strategie voor de Spaar- en Investeringsunie (voorheen bekend als de Kapitaalmarktunie) is een stap in de goede richting, maar moet nog worden opgevolgd door concrete stappen. Als je echt iets graag wilt, maak je een routekaart en spreek je met elkaar concrete deadlines en deliverables af. Als we het groeipotentieel van de Europese economie willen vergroten, zullen we dit probleem serieus moeten aanpakken.

Eén manier om integratie van Europese markten een stap dichterbij te brengen is de invoering van een zogenaamde 28e regime, voorgesteld in het rapport van Enrico Letta. Dit zou een aparte Europese set aan regels zijn op het vlak van zaken als bedrijfsvestiging, faillissement en arbeidswetgeving. Geen extra regels, maar een alternatief voor de huidige 27 verschillende nationale sets aan regelgeving. Bedrijven zouden optioneel voor dit regime kunnen kiezen. Met name voor kleinere bedrijven, zoals start-ups en scale-ups, voor wie verschillen in regelgeving moeilijker te overbruggen zijn, biedt zo’n regime mogelijk een uitweg. Commissie-president von der Leyen heeft inmiddels aangekondigd op korte termijn met voorstellen te komen. Maar de weg naar de eindstreep ligt vermoedelijk bezaaid met politieke en praktische hobbels. Daarom lijkt het me goed als de Commissie voor dit 28eregime een concrete deadline zou stellen. 

Naast het verdiepen van de interne markt en het wegnemen van belemmeringen op de kapitaalmarkt moeten we meer investeren in Europese publieke goederen. Publieke goederen is economen-lingo voor zaken die alleen de overheid kan verschaffen. Europese publieke goederen zijn dan overheidstaken die beter of efficiënter op Europees niveau dan op nationaal niveau worden geleverd. Dingen die de hele Europese economie ten goede komen, maar die voor één lidstaat te duur en te complex zijn om alleen op te pakken. Zoals bijvoorbeeld het handelsbeleid met derde landen. Of een Europees spoornetwerk voor hoge-snelheidstreinen. Of een beter werkend Europees elektriciteitsnetwerk. Defensie is natuurlijk een actueel voorbeeld. 

Het vergt niet alleen veel investeringen, maar ook heel veel coördinatie en samenwerking om dit goed te doen. We verspillen in Europa enorm veel geld doordat we niet samenwerken bij de aankoop en productie van grote zaken, van treinen tot gevechtstanks. Mario Draghi maakt hier in zijn rapport een groot punt van, en hij heeft helemaal gelijk. Maar vanuit mijn achtergrond wil ik hier wat meer focussen op de vraag hoe we dit allemaal gaan betalen. Dat kan namelijk op verschillende manieren.

Er kan ruimte worden gevonden binnen de huidige EU-begroting, door andere prioriteiten te stellen en te moderniseren. De huidige EU-begroting is nog steeds gericht op de economie van het verleden in plaats van op het leveren van publieke goederen die noodzakelijk zijn voor de economie van de toekomst. Landbouwsubsidies en cohesiefondsen vormen samen ongeveer twee derde van de EU-begroting, terwijl de uitgaven voor onderzoek, klimaat, defensie en grensoverschrijdende infrastructuur laag blijven. Dit moet veranderen.

Maar de vraag is of je er hiermee bent. De huidige EU-begroting bedraagt ca. 1% van het Europese bbp. Zet dat af tegen de Amerikaanse federale begroting van rond de 23% en je ziet dat de omvang van de EU-begroting slagkracht mist. Volgens het Draghi-rapport zou een verdubbeling van de EU-begroting nodig zijn om deze uitdagingen het hoofd te bieden. En dan spreken we dus over 2% bbp.

Waar moet dat geld vandaan komen? Behalve het geld aan andere dingen te besteden zouden lidstaten hun afdrachten aan Europa kunnen verhogen. Als de club waarvan je lid bent meer gaat doen, kan daar best een hogere contributie tegenover staan. Helaas lijkt in Nederland de prioriteit vooral te liggen bij het minimaliseren van de afdracht. Een andere optie is dat de EU meer eigen inkomsten genereert. Maar een Europese belasting lijkt nog ver weg. Als laatste optie zouden nieuwe Europese investeringen ook gefinancierd kunnen worden met gemeenschappelijke Europese schuld. Dat kan best geoorloofd zijn, omdat het bij deze investeringen veelal om een inhaalslag zal gaan, waarvan ook toekomstige generaties meeprofiteren. Daarom ben ik blij dat het aankomende kabinet in zijn regeerakkoord hier constructief tegenover staat.

Het aangaan van gemeenschappelijke Europese schuld is uiteraard een keuze aan de lidstaten, want zij zijn uiteindelijk gezamenlijk verantwoordelijk voor de terugbetaling hiervan. Daarbij moeten we wel bedenken dat nationale schulden in veel Europese landen al te hoog zijn. En elke eventueel nieuwe Europese schuldenlast moet worden gedragen door dezelfde Europese belastingbetalers. Tegenover hogere schulden op Europees niveau, zouden dan ook lagere schulden op nationaal niveau moeten staan. Hiervoor is het belangrijk dat de Europese begrotingsregels beter worden nageleefd. En het spreekt voor zich dat ook hogere groei zou helpen bij het beperken van de schuldenlast. 

Naast meer integratie van onze gemeenschappelijke markt, en voldoende investeringen op Europees niveau, kunnen lidstaten natuurlijk ook zelf stappen zetten om de groei te verhogen door te investeren en hun economieën te hervormen. Zoals al eerder aangehaald, het recente rapport van Peter Wennink bevat hiertoe concrete aanbevelingen voor Nederland.

Helaas zien we dat nationale hervormingen, net als Europese beleidsmaatregelen, slechts met horten en stoten tot stand komen. Zo is tijdens de coronapandemie met het Recovery and Resilience Fund een impuls van 650 miljard euro aan goedkope leningen en giften vrijgemaakt. Lidstaten kunnen daarvan profiteren als ze een set afgesproken hervormingen en investeringen uitvoeren. Daarvan is na vijf jaar pas de helft uitgevoerd, terwijl het fonds bijna afloopt. Kortom, niet alleen Europa, maar ook de individuele lidstaten mogen wel een been bijtrekken.

Hoe dan ook, de bottom line is: we hebben meer Europa nodig. Het publiek begrijpt dit. 

Uit de meest recente Eurobarometer, een jaarlijkse enquête van de Europese Commissie, uitgevoerd in de lidstaten van het eurogebied, blijkt dat de meerderheid van de Europeanen voorstander is van meer Europese integratie. Méér, niet minder. En het zal u misschien verbazen, maar ook in Nederland is dit zo. Ruim 60% van de Nederlanders is het, in meer of mindere mate, eens met de stelling dat er meer beslissingen op EU-niveau genomen zouden moeten worden. In tegenstelling tot wat soms beweerd wordt staan de meeste Europeanen, en zeker de meeste Nederlanders, dus wél positief tegenover meer Europese samenwerking.

Jacques Delors, de vroegere voorzitter van de Europese Commissie, schetste het probleem van de publieke opinie eens met de woorden: ‘niemand wordt verliefd op de Interne Markt.’ Maar waarom eigenlijk niet? Wie zou niet verliefd kunnen worden op het idee om te kunnen gaan en staan waar je wilt? Dat voelde onze Joost misschien wel een stuk beter aan. 

Laat ik het voorgaande even voor u samenvatten. De voordelen van Europa zijn duidelijk. Er is draagvlak onder het publiek voor verdere Europese samenwerking. En het is vrij duidelijk wat er moet gebeuren, in ieder geval op economisch en financieel terrein. 

En toch is het nog steeds heel moeilijk om echte vooruitgang te boeken. Veel van de doorbraken in de Europese samenwerking kwamen pas als reactie op crises: zoals de Bankenunie en een mechanisme voor wederzijdse financiële steun na de eurocrisis, en het Next Generation EU herstelfonds tijdens COVID. 

Hoe komt het dat we in Europa zo traag vooruitkomen? Hebben we echt elke keer een crisis nodig om voortgang te boeken?

De redenen waarom het zo moeizaam gaat zijn niet zozeer financieel-economisch – Europa als geheel is rijk genoeg – maar vooral politiek van aard.

Ten eerste betekent verdere integratie onvermijdelijk dat nationale bevoegdheden moeten worden opgegeven - en dat is een gevoelig onderwerp. En hoewel de uitbreiding van de EU haar rol als wereldwijde handelsblok heeft versterkt, heeft het de besluitvorming niet gemakkelijker gemaakt. Daar komt nog bij dat voor sommige belangrijke beleidsgebieden, zoals de EU-begroting en buitenlands beleid, besluitvorming gebaseerd is op unanimiteit. Vooruitgang boeken is in Europa nooit een gemakkelijk proces geweest, en zal het ook nooit zijn. 

En daar wil ik voor wat betreft Nederland nog iets aan toevoegen. Wat het werk van Mathieu heel mooi laat zien is dat de houding van Nederland ten opzichte van Europa altijd ambivalent is geweest. Mathieu zegt ergens dat de Nederlanders de Europese integratie vooral zagen als een technocratie ten dienste van vrijhandel. Ook vandaag de dag nog zien velen Europa vooral als iets waar je veel geld aan kunt verdienen, maar wordt er zuur gekeken als het gaat om het overdragen van soevereiniteit of het voldoen van onze financiële bijdrage.

Begrijp me goed: er is niets mis met geld verdienen. En dat ging prima in de Europese Gouden Eeuw. Maar in de nieuwe tijd waarin we ons nu bevinden kunnen we ons die beperkte blik op Europa niet langer veroorloven. Europa is niet langer een wingewest, Europa is ons lijfsbehoud. Als we niet samenwerken zijn we op lange termijn de klos. Zoals Benjamin Franklin zei tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog: ‘We must all hang together, or assuredly we shall all hang separately’. Het Draghi rapport maakt aannemelijk dat zonder verdere integratie, Europa langzamerhand afglijdt naar irrelevantie. En er is in de internationale geopolitiek toch dat bekende gezegde dat wanneer je niet langer aan tafel zit, je uiteindelijk op het menu komt te staan. 

En effectief samenwerken in een verband van 27 lidstaten betekent onvermijdelijk het met elkaar delen van soevereiniteit. We zullen onze nationale soevereiniteit moeten delen om onze Europese soevereiniteit te behouden. En om toch ook even te doordenken: wat betekent nationale soevereiniteit eigenlijk überhaupt voor een kleine en open handelsnatie als Nederland? Van de handel in onze eigen Gouden eeuw tot de koppeling van gulden aan de D-mark in de jaren ’80 en ’90: is ons lot niet altijd onlosmakelijk verbonden geweest met wat er buiten onze grenzen gebeurt, en hoe men daar tegen ons aankijkt?  

Laten we niet naïef zijn: het delen van soevereiniteit is nooit populair. Het vergt politieke moed. Maar misschien is dat wel wat we nu nodig hebben. De moed om het onverwachte te doen. Het revolutionaire. Het ongelooflijke. Zoals onze politieke voorouders na de oorlog deden. 

En laten we daarbij bouwen op onze kracht. Want Europa heeft veel in huis. De EU vormt met 450 mijoen consumenten het grootste handelsblok en de tweede economie ter wereld. We hebben de landen met de hoogste welvaart in de wereld, en we scoren ook sterk op brede welvaart. Denk nog even aan het kaartje met de sustainable development goals. We bulken van de innovatieve ideeën en de creativiteit. En we hebben relatief veel vrije tijd. Europa is een lifestyle superpower. En in een wereld waarin alles onzeker lijkt, het recht van de sterkste hoogtij viert en geld alles lijkt te kunnen kopen, hebben wij sterke instituties en een sterke rechtsstaat. Die zekerheid is niet alleen fijn voor onze burgers, maar ook buitengewoon aantrekkelijk voor bedrijven. 

Dit alles is een kracht die niet onderschat mag worden. Dat geeft ons in potentie enorme economische en politieke macht. We kunnen die potentie waarmaken. Mits we samen optrekken. En mits we haast maken.

De Mathieu Segers Lezing is een initiatief van de Stichting Gedachtegoed prof. dr. Mathieu Segers en wordt ondersteund door Studio Europa Maastricht, Nieuwspoort, Prometheus, de gemeente Maastricht, de provincie Limburg & de Europese Commissie. De lezing wordt geproduceerd door Haagsch College